img_5483_pkn_groot

Op deze pagina ziet een aantal foto’s van de Kunst en de bloemschikkingen in de Johanneskerk te Diepenheim. Het thema is Sporen in de tijd. Kunstenaar: Peter van den Hoven uit Gorssel met Ikonen en bloemschikkingen door de bloemschikgroep van de Johanneskerk. Klik op een foto voor een vergroting of de slideshow ——————————

Logo_km_2016Ook dit jaar (2016) is de Johanneskerk weer een locatie met kunst tijdens Kunstmoment. Het thema is: “Sporen in de tijd”.  Het verheugt ons daarom dat wij dhr Peter van den Hoven uit Gorssel bereid hebben gevonden dit jaar in de Johanneskerk te willen exposeren met ikonen en de dames en heren van de bloemschikgroep weer oogst- en herfstschikkingen maken.

Ikonen zijn voortgekomen uit de vroeg-christelijke schilderkunst. De eerste christenen waren zeer behoedzaam als het over afbeeldingen ging. De heidense Romeinse cultuur was een beeldcultuur en men wilde daarmee zeker niet geassocieerd worden. Daarnaast was er het oudtestamentische verbod op het vervaardigen van beelden. Maar na voorzichtige manden met brood, de visjes, het chi-rho teken ontstaan toch afbeeldingen als die van Jonas in de walvis, Daniël in de leeuwenkuil of de ark van Noach. Ten slotte komen er ook afbeeldingen van Christus, de moeder Gods en ook van heiligen.

In 730 verbood de Byzantijnse keizer Leo III – onder invloed van zijn hofgeestelijken – bij edict het gebruik van afbeeldingen ter aanbidding. Dit was het begin van de periode van het iconoclasme of de beeldenstrijd die duurde van 730 tot 843. Twee stromingen stonden tegenover elkaar. De iconoclasten vernielden alle afbeeldingen. De iconoculen bleven ze verder vereren, maar moesten soms naar Rome uitwijken vanwege vervolgingen. Het Concilie van Nicea II in 787, bijeengeroepen door keizerin Irene, behandelde het probleem. De vraag was: Mag men wel of niet beelden vereren? De uitspraak was: Geen latreia, wel douleia. (Geen aanbidding, wel verering.) In de Oosterse Kerk duurde de beeldenstrijd evenwel voort. In 843 werd, op aandringen van keizerin Theodora, het vervaardigen van afbeeldingen van heiligen opnieuw toegelaten. Men kwam tot een compromis: enkel tweedimensionale “iconen” mogen worden vereerd. Dit waren schilderingen op houten panelen (“iconen”) of op pleister (fresco’s), afbeeldingen in laagreliëf (tabletten in hout, ivoor, metaal…) en mozaïeken. Zo verdween de driedimensionale christelijke beeldhouwkunst grotendeels uit het oostelijk christendom, dit in tegenstelling tot het westen en Rome waar de fresco’s uit de mode raakten.

Ikonen zijn meestal geschilderd op een houten paneel. Bij het schilderen dient rekening gehouden te worden met bepaalde regels. De regels zijn vervat in de schildersboeken (de z.g. canon) en hebben de bedoeling voor zuiverheid en uniformiteit te zorgen en niet af te wijken van de leerstellingen van de Kerk.  Het schilderen van Ikonen is voor de orthodoxe kerk een werk waarvoor Gods zegen gevraagd wordt. Het gaat in de regel gepaard met gebed en vasten. Een ikoon wordt in principe niet gesigneerd, omdat men ervan uitgaat dat het Gods hand is die het schilderen begeleidde; de Grieken signeren hun ikonen wel. Ikonen zijn vooral ontstaan in landen waar het christendom in de vorm van Oosterse orthodoxie de godsdienst is, zoals Griekenland, Rusland, de Balkanlanden, Oost-Europa en ook Egypte en Ethiopië.

SPOREN IN DE TIJD

(Auteur Peter van de Hoven, Gorssel)

Dat is het motto van de exposities dit jaar voor Kunstmoment Diepenheim. Onder zulke sporen verstaan we zaken die zijn achtergebleven en meestal pas begrijpelijk worden als we het verhaal  er achter kennen.

Zo is het ook met ikonen. Het zijn zichtbare uitingen, waarin de christelijke theologie een grote rol speelt. Dat ze zo nadrukkelijk aanwezig zijn in het oostelijk christendom is, omdat zich daar in de 8e  en 9e eeuw een heftige beeldenstrijd heeft afgespeeld.
Daarmee is de volgende vraag al bijna beantwoord: waarom de religieuze kunst in oost en west zich zo verschillend ontwikkeld heeft?
Het past niet in dit artikel om daar uitvoerig op in te gaan. We weten dat zich een kerkscheuring heeft voorgedaan tussen oost en west, in 1053. Maar enkele eeuwen later is de kloof weer groter geworden door een controverse waarbij de vraag gesteld werd of het licht dat de drie apostelen zagen op de berg Tabor goddelijk was of niet.
In het westen opperde men dat het om geschapen licht ging: niemand kan immers God zien. Maar in het oosten sprak men van een ongeschapen Licht omdat een mens anders nooit deel aan het Goddelijk Leven kan krijgen.

En zo is een zeer verschillende benadering van het Licht betrokken geraakt in de manier van schilderen. Het westen zocht, met onderzoekende blik, naar een zo getrouw mogelijke weergave van de werkelijkheid. In het oosten streefde men naar de weergave van een bovenzinnelijke wereld werkelijkheid. Er groeide een wereld van verschil door diepgaande verschillen in de benadering.

Het licht dat Rembrandt probeerde weer te geven, is van een totaal andere orde dan wat de ikoonschilders wilden weergeven, en wel een oorzaakloos licht waarvan God de bron is.
Maar toch, in zijn ‘Honderdguldenprent’ wil zelfs Rembrandt iets weer geven van dit “Licht dat elke mens verlicht”.

Aan het einde van de 19e eeuw zal Wassily Kandinsky, die wel als uitvinder van de moderne kunst beschouwd wordt,  een van de eersten zijn die zich lovend uit laat over ikonen.
Na de Russische revolutie maakte het westen kennis met de ikonen die vluchtelingen vanuit Rusland mee namen. En zo hebben ikonen ‘sporen getrokken in de tijd’.

Meer informatie: website: http://www.gorssel.nl/kunst/34-kunst/948-peter-van-den-hoven

chi-rho

img_5551b