Zondag 5 oktober is traditiegetrouw ook Israëlzondag.
In onze Johanneskerk is het dan de startzondag met met een inspirerende viering waarin geloof, natuur en ontmoeting centraal staan. Het jaarthema 2025/2026 – “Laat je verrassen door het werk van Gods Geest” – gaat niet alleen over geloof binnen de kerk, maar ook over hoe je in het dagelijks leven nieuwe inspiratie en verbondenheid kunt ervaren.
Ds. Frank Heikoop heeft naar aanleiding van Israëlzondag een preekschets gemaakt over Openbaring 12, waarvan onderstaand het eerste deel is weergegeven. De inhoud hiervan is bijzonder actueel.
Hoe vaak er ook over de Openbaring gepreekt wordt, de klacht van sommige
gemeenteleden dat dit Bijbelboek te weinig aan de orde komt zal wel blijvend
zijn. De Openbaring geeft een blik op de wereld achter onze wereld. Er is een
strijd gaande tussen God en kwade machten, en de gevolgen van die strijd zien
wij op aarde. In Openbaring 12 spitst die strijd zich toe op Israël en de
christelijke gemeente. Een goede uitleg van dit gedeelte geeft zicht op de relatie
van Israël en de christelijke gemeente.
Uitleg
In het indrukwekkende visioen van Johannes zijn er een aantal zaken die weinig
vragen oproepen. Algemeen wordt aangenomen dat met het Kind, dat geboren
wordt, Jezus Christus bedoeld wordt. Hij is het die uit een vrouw geboren wordt,
op aarde verschijnt, daar Zijn werk doet, en vervolgens opgenomen wordt in de
hemel (vers 2), nu zit op de troon aan de rechterhand van Zijn Vader. Over Hem
is geprofeteerd dat Hij ‘alle heidenvolken zal hoeden met een ijzeren staf’ (vers
5, zie ook Psalm 2:9 en Openbaring 2:27). Ook wie bedoeld wordt in de gestalte
van de draak is duidelijk. Johannes legt het zelf uit, het is ‘de oude slang, die
duivel en satan genoemd wordt, die de hele wereld misleidt’ (vers 9).
De vrouw
Bij de uitleg van de gestalte van de vrouw gaan de wegen van uitleggers uiteen.
In de doordenking van dit Bijbelgedeelte blijkt dat leerstellige
vooronderstellingen over de relatie van Israël en de kerk de exegese bewust of
onbewust een bepaalde kant op drijven. Wie is de vrouw die het Kind
voortbrengt? Met name rooms-katholieke uitleggers wijzen hier op de persoon
van Maria. Protestantse uitleggers doen dat zelden. Nu wordt Maria wel de
‘moeder van de Heere’ (Lukas 1:43), de ‘gezegende onder de vrouwen’ (Lukas
1:28 en 42) genoemd. Zij kreeg de genade om het Kind te baren, dat ‘groot zal
zijn en de Zoon van de Allerhoogste genoemd zal worden’ (Lukas 1:32). Maar
de uitleg van de vrouw als Maria is pas van veel latere datum dan de tijd waarin
Johannes de Openbaring schreef. Ook wat er naast het geboren doen worden van
Jezus later in het hoofdstuk gezegd wordt over deze vrouw maakt het moeilijk
om uitsluitend aan Maria te denken.
Veel rooms-katholieke uitleggers wijzen er op dat Maria symbool is van de
moederkerk, die haar kinderen voedt en beschermt. Heel wat protestantse
exegeten haken hierbij aan. De vrouw uit Openbaring 12 wordt dan gezien als
beeld van de christelijke gemeente. Die gemeente is zo nauw verbonden met
Christus, zoals een moeder met haar kind. Het probleem van deze uitleg is dan
de wat vreemde conclusie, dat niet de gemeente uit Christus is voortgekomen,
maar Christus uit de gemeente is voortgekomen. Nog problematischer wordt
deze uitleg wanneer Johannes vertelt dat de vrouw naast het Kind nog ander
nageslacht heeft voortgebracht, namelijk zij, ‘die de geboden van God in acht
nemen en het getuigenis van Jezus Christus hebben’ (vers 17). Met deze
‘overigen van haar nageslacht’ kan toch moeilijk iets anders anders bedoeld zijn
dan de christelijke gemeente. Heeft de vrouw, de christelijke gemeente, dan de
christelijke gemeente voortgebracht?
Het is goed om hier zo scherp mogelijk te zien wie wie heeft voortgebracht. De
vrouw die het Kind heeft voortgebracht is Maria, maar dan wel Maria als
representant van het volk Israël. Maria is geen representant van de kerk, of van
de christelijke gemeente. Wanneer Maria de boodschap van de engel Gabriël
heeft vernomen, dankt zij niet alleen voor de genade die aan haar is bewezen,
maar ook voor de genade die haar volk Israël ontvangt. Met de geboorte van
Jezus gaan verschillende profetieën aan het volk Israël in vervulling. Maria
bezingt dat God ‘heeft omgezien naar de nederige staat van Zijn dienares’
(Lukas 1:48), en daardoor heeft Hij het ook ‘opgenomen voor Israël, Zijn
knecht, door aan Zijn barmhartigheid te denken, zoals Hij gesproken heeft tot
onze vaderen, tot Abraham en zijn nageslacht, tot in eeuwigheid’ (Lukas
1:54,55). Ook de engel Gabriël wees erop hoe God in de aan Maria bewezen
genade Zijn volk zegende: ‘Hij zal groot zijn en de Zoon van de Allerhoogste
genoemd worden, en God, de Heere, zal Hem de troon van Zijn vader David
geven, en Hij zal over het huis van Jakob Koning zijn tot in eeuwigheid en aan
Zijn Koninkrijk zal geen einde komen’ (Lukas 1:32,33).
Moeder
In Joodse literatuur worden zowel het volk Israël, het land Israël, als ook Sion
omschreven als moeder. ‘Want Sion onze moeder is met allerlei droefheid
bedroefd, en met nederigheid vernederd, en is gans zeer treurig’ (4 Ezra 10:7).
Ook Paulus gebruikt dit beeld: ‘het Jeruzalem dat boven is, is vrij, en dat is de
moeder van ons allen’ (Galaten 4:26). Heel wat keren wordt Israël vergeleken
met een barende vrouw: ‘zoals een zwangere vrouw die op het punt staat te
baren, ineenkrimpt en het uitschreeuwt in haar weeën, zo waren wij voor Uw
aangezicht, HEERE’ (Jesaja 26:17). ‘Want ik hoor een geluid als van een vrouw
in barensnood, benauwdheid als van een die haar eerste kind aan het baren is.
Het is het geluid van de dochter van Sion, zij snakt naar adem’ (Jeremia 4:31,
zie ook Jeremia 6:24; 13:21). Gezien de vele verwijzingen in de Openbaring
naar het Oude Testament ligt de uitleg van de vrouw als symbool voor Israël
voor de hand. Op slechts één andere plaats in de Bijbel worden in één beeld de
zon, de maan en sterren samen gezien, dat is in de droom van Jozef (Genesis
37:9). Ook daar betreft het beeld het volk Israël.
Uit de Joden
Het is niet juist om te zeggen dat het heil of de Heiland voortkomt uit de
christelijke gemeente. Wat wel gezegd kan worden: ‘het heil is uit de Joden’
(Johannes 4:22). De gemeente mag zich niet toe-eigenen wat Paulus als één van
de voorrechten van de Israëlieten noemt: ‘uit hen is, wat het vlees betreft, de
Christus voortgekomen’ (Romeinen 9:5). Of zoals in de Schrift staat
geschreven: ‘de Verlosser zal uit Sion komen’ (Psalm 14:7, Romeinen 11:26).
Israël heeft de Verlosser voortgebracht, en de christelijke gemeente, ‘de
overigen van haar nageslacht, die de geboden van God in acht nemen en het
getuigenis van Jezus Christus hebben’ (vers 17). Israël is de edele olijfboom,
waarop de gemeente is geënt (Romeinen 11:17). ‘Beroem u dan niet tegenover de
takken. En als u zich beroemt: U draagt de wortel niet, maar de wortel u’
(Romeinen 11:18).
Meer lezen over dit onderwerp? https://www.christenenvoorisrael.nl/israelzondag
Onderstaand een filmpje, speciaal gemaakt voor Israëlzondag.




Comments are closed